arrow_drop_up

De huidhongerige single


Wil je dit essay liever luisteren dan lezen? Dat kan via Spotify, Anchor of Apple Podcasts!


Zeven komma acht miljoen mensen. Zoveel Nederlanders hingen dinsdagavond 21 april aan de lippen van Mark Rutte. We zagen zijn worsteling, we hoorden zijn zucht. Voelden die misschien wel tot in onze tenen. En collectief waren we verontwaardigd over de drammerige vragen die de als verwende kinderen stampvoetende journalisten al pruillippend op onze minister-president afvuurden.

Zeven komma acht miljoen mensen. Daaronder bevonden zich ouderen die te horen kregen dat het voorlopig te gevaarlijk blijft om bezoek te ontvangen. Kinderen in de basisschoolleeftijd deden misschien wel een vreugdedansje bij het nieuws over de opening van hun scholen. Hun ouders slaakten ongetwijfeld een zucht van verlichting, want het thuiswerken gaat op deze manier weer een stukje makkelijker worden. Medewerkers van sportclubs stuurden opgetogen berichten in de groepsapps met collega’s: er mag immers weer mondjesmaat gewerkt worden. En tussen hun twaalf-uur-durende shifts keken vast ook zorgmedewerkers mee, terwijl ze in de spiegel de striemen bekeken die het mondkapje in hun gezicht had aangebracht.

Zeven komma acht miljoen mensen. Een aanzienlijk gedeelte van die groep kijkers is geen 65-plusser, noch minderjarige. Deze kijkers hoeven ook geen thuisonderwijs te geven, aangezien er geen koters rondlopen in hun ‘huishouden’ – een term die op zichzelf al vrij verwarrend is voor hen. Sommigen van hen zaten dinsdagavond met hun huisgenoten voor de buis of voor een laptop, anderen hadden zich, mogelijk met een huisdier en pannenkoekplant als enige levende organismen in hun directe omgeving, solo voor een scherm gestationeerd. Ik heb het over ‘de single’.

De single, vooral een gezond exemplaar, heeft het op het eerste gezicht relatief makkelijk in vergelijking tot een bejaarde of ouder. De single behoort niet tot de risicogroep en hoeft evenmin te jongleren tussen de spellingregels uit groep 6 memoreren, de puber motiveren voor aardrijkskunde en zorgen dat de peuter niet binnenkomt tijdens een Zoommeeting met collega’s.

Maar er is een andere bijwerking van deze quarantaine waar misschien juist de single wel extra vatbaar voor is. Gebaseerd op eigen ervaringen en gesprekken met soortgenoten merk ik dat met name onder singles de huidhonger aanwakkert. Met huidhonger wordt de behoefte aan lichamelijk contact bedoeld. De term bestond al even, maar het is niet vreemd dat hij sinds het in leven roepen van de anderhalvemetersamenleving steeds vaker opduikt.

Tango, tangor, ergo sum, oftewel ‘ik raak aan, word aangeraakt, dus ik ben’: dat is de variant op Descartes’ klassieke cogito ergo sum die de Duitse filosoof Wilhelm Schmid heeft gemunt. Aanraking is volgens hem een primaire levensbehoefte, en hij is niet de enige die daarvan overtuigd is. In onder andere dit artikel in de Volkskrant wordt uitgebreid ingegaan op de verschillende situaties waarin de behoefte aan aanraking zich manifesteert: onder andere het huid-op-huidcontact met jonge baby’s. Wanneer we lichamelijk contact hebben met iemand, wordt de aanmaak van oxytocine gestimuleerd, terwijl de productie van het stresshormoon cortisol wordt verlaagd. Kortom, aanrakingen zijn niet alleen gezond, maar zelfs cruciaal.

Nooit ben ik de aangewezen persoon geweest om met een kartonnen bord met daarop ‘Free Hugs’ op de Neude te gaan staan. Ik kan vrij ongemakkelijk worden van mensen met meer aandrang tot lichamelijk contact dan ikzelf. Je kent ze wel, de enthousiastelingen die nadat je elkaar twee minuten kent al de neiging hebben om hun hand op je arm te leggen of, erger nog, je bij een eerste ontmoeting al een intense knuffel geven. Ik ben niet zo iemand. Maar nu deze quarantaineduur richting de twee maanden gaat en de fysieke afstand tussen mij en mijn dierbaren voortduurt, ontdek ik dat de huidhonger waar ik her en der over lees behoorlijk resoneert bij mij.

Ik wil geen jankerd zijn. Mijn gezondheid laat niets te wensen over, ik heb de smaak van het thuiswerken aardig te pakken, ik maak honderden kilometers op mijn racefiets, geniet van de zon en het scala aan digitale platforms dat beschikbaar is om met elkaar in contact te blijven, beschouw ik als een zegen. Bovendien lees ik voor mijn werk – een onderzoek naar vroegmoderne stadskronieken – met enige regelmaat fragmenten over de pest die voor de zoveelste keer in de stad woedde en grote delen van de bevolking aan gene zijde bracht. Dat plaatst een hoop in perspectief.

En toch. Ik kan me niet herinneren wanneer ik voor het laatst iemand heb aangeraakt. Ook met mijn huisgenoten, met wie ik voor coronabegrippen een gezin vorm, wissel ik amper fysiek contact uit. Met een aantal vrienden, dat op één hand te tellen is, ga ik af en toe een blokje om of installeer ik me op veilige, en daarmee ongezellige, afstand in een park. Het hulpeloze ‘zwaaitje’ waarmee we onze ontmoeting aanvangen en afsluiten, begint me steeds meer tegen te staan. Een paar weken geleden maakte ik nog grappen met vriendinnen over Prediker 3 dat er ‘een tijd is om te omhelzen en een tijd om af te weren’, maar inmiddels biedt dat me ook weinig relativering meer.

Tijdens persconferenties en in richtlijnen van het RIVM is er volop aandacht voor de kwetsbare ouderen en, uiteraard, het gezin – de vermeende hoeksteen van de samenleving. Zij krijgen precies te horen wat wel en niet mag: geen bezoek, wel buitenspelen, allemaal thuisblijven als iemand klachten vertoont, buitenshuis altijd anderhalve meter aanhouden, et cetera. De ons opgelegde leefregels zijn allemaal geijkt op het concept van een huishouden.In een gemiddeld Nederlands gezin zijn er dan dus één liefdespartner en 1,7 geliefde kinderen om knuffels aan uit te delen en schouderklopjes of high fives te geven – een gemiddelde dat op de Biblebelt nog wel een stukje hoger zal liggen.

De mensen die mij – als single – het meest dierbaar zijn, zijn echter niet degenen met wie ik een huishouden deel. Dat zijn namelijk mijn vrienden met wie ik normaliter in de stad of bij iemand thuis afspreek, of met wie ik wel een wandeling maak of in een park neerstrijk, maar dan niet met de beruchte anderhalve meter tussen ons in. Dat zijn mijn ouders, voor wie ik anderhalf uur met de trein moet reizen, iets waar ik tot nu toe steeds vanaf zie zodra ik de NS-app open en daar de melding zie ‘Reis alleen als het echt moet’. Want ja, het moet niet echt. Maar het zou inmiddels best leuk zijn.

Ik weet niet goed wat ik van mijn single soortgenoot Mark Rutte wil. Ik weet ook wel dat hij geen pasklare regels kan opstellen hoeveel mensen ik een knuffel mag geven, op hoeveel armen ik mijn hand mag leggen, en naast wie ik op een bank mag hangen zonder dat we elk tegen een armleuning aangeperst zitten. Misschien bedoel ik meer dit, wat ik van de week iemand op Twitter zag verzuchten: dat bij de zorgmedewerkers voortdurend het ziekenhuispersoneel en de werknemers in de ouderenzorg worden genoemd, maar dat zij, werkzaam in de gehandicaptenzorg, er ook was. En in een gehandicaptenzorginstelling loopt men niet per definitie minder op het tandvlees dan in een ouderenzorginstelling.

Er lijken dus wat blinde vlekken te zitten in de manier waarop onze regeringsleiders communiceren. En misschien wil ik niet zozeer tegen Mark Rutte zeggen dat wij bestaan en onze sores hebben, maar vooral ook tegen andere soortgenoten, die ik niet ken en naar wiens persconferenties ik niet kijk.

Tegelijkertijd zijn wij mensen veerkrachtige wezens. We kunnen tegen een stootje. Ook zonder single-zendtijd ga ik deze quarantaine doorkomen, en uitkomen. Ik leer mezelf gitaar spelen, lees meer boeken dan ooit, en ik schrijf eens in een ander genre dan een academisch artikel – iets waarin ik niet de enige ben. Om me heen zijn vrienden begonnen met het schrijven van liedjes, blogs, essays en sprookjes. Blijkbaar leveren deze fysieke afstanden gebrek aan lichamelijk contact een andersoortige nabijheid op. We keren naar binnen, kunnen niet anders dan het gesprek met ons innerlijk voeren, we treden nader tot onszelf.

Daarover schreef ook dichteres Lieke Marsman enkele weken geleden al in de Volkskrant (ja, ik weet dat het Nederlandse medialandschap meer omvat dan enkel dit dagblad). In het stuk, getiteld ‘Gedeelde eenzaamheid is geen eenzaamheid’, voorspelt ze alvast hoe we in deze tijd van fysieke afstand, nadat we hebben geprobeerd ons te vermaken met nieuwe hobby’s zoals knutselen, skeeleren en mandala kleuren, uiteindelijk terecht zullen komen bij de existentiële vragen die op de bodem van onze ziel sluimeren en tijdens een crisis onvermijdelijk boven komen drijven: wat is de zin van dit alles? En dat is helemaal geen verkeerde ontwikkeling. Probeer te genieten van het hebben van deze vragen, adviseert Marsman, want ooit, als deze pandemie voorbij is, ga je het eindeloze ijsberen door de kamer missen.

Marsman beschrijft hoe in een tijd van crisis de hang naar religie kan aanwakkeren. ‘Sommige mensen gaan voor een antwoord op zulke vragen te rade bij God’, zegt ze. ‘Het zou me niet verbazen als u ergens de komende maanden religieuze gevoelens ontwikkelt. Dit kan schrikken zijn, maar het is heel normaal. ’Het is een beweging die ze zelf maar al te goed herkent. Als kankerpatiënt heeft ze op haar duisterste momenten een spirituele kant van haarzelf ontdekt waarvan ze niet wist dat ze hem in haar had. ‘Na wederom een slechte scanuitslag kan ik zomaar middernachtelijk liggen bidden en smeken of God me misschien een teken van leven kan geven. Om meteen daarna te schrikken: wat als mijn ziekte zelf het teken is? Of wat als God allang een teken gegeven heeft, maar ik het teken niet heb herkend?’

De bekendste manier waarop God en religie momenteel bij deze crisis worden betrokken, is door middel van de suggestie dat God de mensheid straft door ons met dit virus op te zadelen. Gelukkig zijn er inmiddels genoeg wijze theologen en (christelijke) historici geweest die met gegronde argumenten deze gedachte naar het rijk der fabelen hebben verwezen. Ook Marsman noemt het ‘geen bruikbaar uitgangspunt’. Het coronavirus hoeft helemaal geen teken van God te zijn om ons iets te kunnen vertellen. Op zichzelf zegt het ons al genoeg: hoe we in een crisissituatie zijn beland, hoe we daarmee omgaan, en dat we nooit zo veel op de gezondheidszorg hadden mogen bezuinigen. Natuurlijk kan het zijn dat God ons deze dingen wil vertellen, maar in de woorden van Marsman is het ‘makkelijker om deze conclusies uit de situatie zelf te trekken dan om de taal van God, die veel meer ruimte voor interpretatie laat, hiervoor te proberen te ontcijferen.’ En voor degene die toch graag een teken van God verlangt, eindigt ze haar stuk als volgt:

U zult (…) de komende maanden nog vaak (…) naar het raam lopen, daar blijven staan en naar buiten kijken. Het raam openzetten zal zin hebben, je laat wat lucht binnen, en hoewel alles wat we doen tezamen geen enkele zin heeft, maar ook en juist daarom, zult u misschien toch eens omhoogkijken, naar de lucht, en hardop de zin uitspreken: God, geef ons een teken dat we kunnen herkennen als teken.

Een van mijn favoriete dichters, Roelof ten Napel, schreef tijdens week zes van de lockdown dit gedicht:

sonnet (19 april '20)

(wat niet eerst afgezonderd is, kan evenmin
samenzijn: alleen
omdat je huid een einde vormt kan hij zich
laten aanraken, alleen
waar je ophoudt maak je plaats voor iets anders —
wat niet eenzaam is, duldt geen bijzijn;
wat niet, ook in gezelschap, afgezonderd blijft,
gaat in gezelschap op, wist
zich erin uit)

maar wie niet samenkomt, verliest misschien grip, zoals
wie voor niemand een geheim bewaren moet

het geheim geheid vergeet,

aan de achterkant van zijn geheimen achterblijft, als wie ontwaakt
aan de verkeerde kant van een nacht

Ik wil geen grip verliezen. Ik wil het geheim van verbondenheid door nabijheid en aanraking niet vergeten. Dus morgenochtend, als mijn singlehuishouden ontwaakt aan de goede kant van de nacht, ik mijn gordijnen en ramen open, de regen ruik die die nacht is gevallen en opnieuw constateer dat mijn plantenverzameling welig blijft tieren in de vensterbank, ga ik misschien wel hardop deze zin uitspreken: God, geef me een teken dat ik kan herkennen als teken. Een teken van hoop. Een belofte dat er heel spoedig een tijd komt om te planten, om op te bouwen, om te lachen, om te dansen, om te herstellen, om te omhelzen.


Alie Lassche (27) is promovenda bij het Instituut voor Geschiedenis van de Universiteit Leiden. Ze is lid van de Utrechtse Jacobikerk en vulde tijdens het ‘oude normaal’ haar vrije tijd met klimmen, wielrennen en het lezen van proza en poëzie. Sinds ze in haar huis is opgesloten leert ze zichzelf daarnaast gitaar spelen, zont ze op het balkon van haar afwezige buren en probeert ze in een ander genre te schrijven dan het onderzoekartikel.

alielassche@gmail.com | 0631244527